Een rondgang in de tijd.

Het was in het najaar van 2014 dat ik in mijn atelier een paar vellen Letraset-wrijfletters terugvond. Ik was bezig met woorden en zinsneden uit een boek van Thomése en zocht naar een manier om de taal om te zetten naar beeld. Met de wrijfletters maakte ik de eerste schetsen, die onmiddellijk nieuwe ideeën genereerden.

Materiaal vraagt vaak om meer: als ik teken wil ik bijvoorbeeld een net iets harder, zachter, scherper potlood hebben, tekenen is een minutieus scheppingsproces. Met de wrijfletters gebeurde hetzelfde, ik wilde meer, vooral grotere, dikkere en cursieve letters en dacht aan de lades waarin ze vroeger lagen, in grote hoeveelheden, op maat en soort gesorteerd.

Ik ging naar de winkel, en terwijl ik de vraag stelde flitste het antwoord al door mijn hoofd. En inderdaad, ze hoefden me alleen maar aan te kijken om me duidelijk te maken dat zoiets als wrijfletters al –behoorlijk- lang niet meer te krijgen was. Terug op de fiets mijmerde ik over ‘vroeger’ en dacht aan de snelheid waarmee de digitale wereld de analoge aan het inhalen is.

Zo waren de wrijfletters die ik nog had ineens een soort collectors-item geworden. Hoe ze op maximale wijze in te zetten? Ik bleek nog 17 vellen te hebben van verschillende lettertypes en maten. Van 10pts tot 68pts, de een wat meer gebruikt dan de ander, waarbij ik een oude voorliefde voor de wat meer uitgesproken letter herkende. Zeventien vellen. Dat was alles.

Het bracht me naar het laatste boekje van Marguerite Duras, ‘C’est tout’, ‘Dit is alles’. Een klein dun boekje met haar laatste teksten waarin ze haar angst voor de dood beschrijft en het naderende afscheid van Yann Andrea Steiner, haar liefde en muze. In korte kale zinnen met veel pauzes en herhalingen zoekt ze naar woorden. Woorden die steeds spaarzamer worden, en het naderende einde voelbaar maken.

Marguerite Duras speelt al vele jaren een rol in mijn werk, soms direct, meestal indirect. Het voortdurend afwegen en zoeken naar taal is een vorm die ik herken in mijn onderzoek naar lijnvoering en de ‘taal van het materiaal’. Tien jaar geleden stuurde de kunstenaar Arnold Schalks me voor de tentoonstelling Compost Composed twee galappels op. Er zat een recept bij om er inkt van te maken: tijdelijke inkt, die langzaam zou verdwijnen. Hiermee schreef ik het boek ‘Ecrire’ over op een oude faxrol, een ander boek van Marguerite Duras over de ‘daad van het schrijven’.

Met de eindigheid van een tijdperk in gedachte besloot ik om met mijn wrijfletters Duras’ C’est tout over te schrijven. Ik bedacht een algoritmische systematiek voor de te maken keuzes ten aanzien van formaat en volgorde van de letters en nam het oorspronkelijke boekje als uitgangspunt. Van groot naar klein, van dik naar dun, het formaat van de bladspiegel zou de gemene deler zijn van de afmetingen van de wrijfletter-vellen. Voor de letters die op waren maakte ik mallen om de leegte exact te overbruggen, eerst van één, daarna voor twee letters en uiteindelijk voor zes letters. Het resultaat is een 96 pagina’s tellend manuscript op 200 grams tekenpapier met hand-gewreven letters. Naarmate de pagina’s vorderen, worden ze steeds leger.

De impact van het maakproces was onverwacht groot: de handeling van het wrijven en het uitmeten van letters nam enerzijds tijd in beslag, anderzijds ging de taal van Duras – en haar strijd met het leven- in mij als maker zitten. Zo dichtbij taal had ik niet eerder gestaan, haar lichte en zware momenten leek ik mee te beleven in opwaartse en neerwaartse bewegingen, als een ademhaling die soms zwaar, soms licht is.

Het proces had ook een linguïstische component. Veel letters van de Letraset raakten op, maar niet allemaal. Van de grootste letters (68 pts) bleven er zelfs bestaan: in de taal van Duras komt geen W of K voor. Zij gebruikte veel herhalingen, zowel in woorden, letters als klanken. Op pagina 39 zijn alleen maar J’s en F’en te zien, pagina 71 bevat alleen maar 3 H’s, terwijl vanaf pagina 79 weer een cumulatie aan letters te zien is, als een soort hardop zuchten, een korte opleving van energie.

Tijdens het maakproces van het ‘beeldend manuscript’, vroeg ik me steeds af of, en zo ja hoe, ik van dit manuscript een boek wilde maken. De uniciteit van de letters speelt een grote rol, tegelijkertijd gaat dit werk ook over ‘toen en nu’ en de maakbaarheid die tegenwoordig een grote rol speelt. Op Instagram worden nostalgische sepia-achtige foto’s geplaatst, bij de HEMA is een run op de polaroid-camera’s voor tieners en mijn studenten vragen of ik nog een analoge camera heb (die ik tot mijn eigen verbijstering weggedaan blijk te hebben).

In het voorjaar van 2015 bezocht ik de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Op die academie las ik 25 jaar geleden de boeken van Duras, werkte nog met wrijfletters en maakte ik mijn laatste grafiek in de ambachtelijke werkplaats. Maar net als de wrijfletters bleek ook die werkplaats ‘verdwenen’: de JvE is getransformeerd tot een hyper-moderne omgeving waar de modernste technieken gebruikt worden.

Jo Frenken werkte er toen en nu nog steeds. Ik had een kopie van mijn manuscript meegenomen, we spraken over het project en vrij snel was duidelijk: dit boek moet gemaakt worden en wel in RISO, een digitale techniek met een zeer analoge feel.

Voor het ontwerp benaderde ik de vormgever Art Collart die eerder het prachtige Familie-Archief van Art Rock Foundation ontwierp. Ook bij de essays en vertalingen staan toen en nu centraal: Alex de Vries schreef in 2006 een bevlogen tekst over mijn werk en met Ellen Krutwagen deel ik -naast langdurige vriendschap- de liefde voor Duras. Voor de Engelse vertaling vroeg ik Brian Meehan, een vriend uit CA die altijd staat te popelen om mijn Engelse teksten te corrigeren.

En, last but not least, vroeg ik mijn moeder om deze inleiding ook in het Frans te vertalen.

Een rondgang in tijd, naar aanleiding van een gestolde split-second.

Noëlle Cuppens
Juli 2015