Rotterdams Dagblad, 13 - 04 - 2004
Noëlle Cuppens, “The Rendez- Vous” in Multiple XX Galerie, Rotterdam.

“Stof tot denken”.
door Sandra Smets.

Textielkunst heeft niks meer te klagen tegenwoordig. Na decennia vol beschimping door meer macho kunstvormen doet textiel nu volop mee. Dankzij de woest geborduurde pornofoto’s van Berend Strik kreeg de lapjesmand een ruig imago, en dankzij vele subtiele varianten werden de warmte, het organische en detailrijkdom van stof opgemerkt. Zo is de beschermende kant van textiel bekend bij de Rotterdamse kunstenaar Noëlle Cuppens die al geregeld bomen aankleedde met kousen of badpakjes. Haar huidige presentatie bij XX Multiple Galerie vindt echter binnen plaats en laat twintig porseleinen poezen zien, van top tot teen aangekleed in strakke jasjes van roze vilt. Ze staan in de vensterbank als een bende lapjeskatten vol hechtingen. Hetzelfde deed ze met vijftien kinderstoeltjes. Net als de poezen tikte ze deze op de kop bij de Roteb. De stoeltjes staan in een kring als in een peuterklas, en hebben perfect passende bruine vilten omhulsels. Elk pootje en armleuninkje is ingepakt, en aaneengestikt met de hand, want met een naaimachine lukt zoiets niet.

Vrolijk ziet het er niet uit, zeker niet als je hoort dat het monnikenwerk was (...). Maar vooral somber stemt de verlatenheid. Eigenlijk horen hier giebelende kinderen en een juf te zitten. Bovendien torent boven de installatie een muurschildering uit van een donkere boomvormige schim. Het is in bruin geschilderd, met een lichtblauwe schaduw erachter. Het effect is als van een plant die een dubbele schaduw werpt op een muur wanneer een auto langs rijdt met felle koplampen, een mooi gegeven gezien de grote ramen van de galerie. De schildering lijkt een plat silhouet en dat zijn de stoeltjes eigenlijk ook. Het donkerbruine vilt laat geen lichtnuances toe en fungeert als zwart gat; het absorbeert alle licht en maakt de driedimensionale stoeltjes tweedimensionaal.

De expo draait om de poezen en stoeltjes, maar achterin staan ook drie oudere werken van Cuppens. Het zijn borduurwerken op het soort vilt dat in afzuigkappen zit. Daarop vormt een grijs garen ‘tekenlijnen’, alsof het een potloodspoor is. Na een paar centimeter echter gaat de lijn snel zigzaggen, zoals alleen een naaimachine dat kan. Als je je ogen wat dichtknijpt, kun je nog geloven dat het een gearceerde lijn of viltstifttekening is. Maar van dichtbij blijkt dat het een bijna op hol vliegende naaimachine is geweest. Ratelend heeft deze gaatjes in de fragiele stof gepriemd en zulke strakke steken neergezet dat deze in hun wattige ondergrond verdwijnen. Vervolgens moest Cuppens de naaimachine verschuiven om elders verder te stikken, en blijven de draden werkloos rondzweven. Ze plakken tegen het glas waarachter ze zijn ingelijst en geven deze platte ‘tekening’ de ruimtelijkheid die de vilten stoeltjes juist hebben ingeleverd. Door dit rollenspel van de draden zie je pas in een laatste instantie dat het niet alleen maar grillige ‘schets’ lijnen zijn, maar dat ze nóg een functie hebben: ze stellen iets voor. Elk borduurwerk laat een schetsmatige boom zien.

Cuppens’ borduursels hebben de schijn van een persoonlijk handschrift, maar je wordt geflest waar je bij staat door de tegenstelling met de machineproductie. Textielkunst hoeft dus helemaal niet ruig te doen om spannend te zijn.